Laatst vond ik in de Albert Heijn iets nieuws. Plastic bekertjes. Met ijsklontjes erin. 528 stond er op. Kant-en-klaar bevroren water, verpakt, gekoeld, vervoerd, en te koop voor minder dan een euro.
Dit is een knaller van een productinnovatie. Als er een innovatieprijs zou zijn met als enige criterium nieuwigheid en dikke omzet, dan maakt deze ijsklontjesbeker serieus kans.
Maar is het vooruitgang? Water bevriezen kon je thuis al. Praktisch gratis. Dus wat er nieuw is, is niet het ijs, maar het verdienmodel. Een ondernemer zag iets dat mensen willen. Stopte het in een verpakking, regelde de productie, logistiek, marketing en pakt een marge. De winst gaat naar de fabrikant en de supermarkt. De kosten: energie, plastic, afval, etc die zijn voor ons allemaal. Of de generatie na ons.
Innovatie is niet altijd vooruitgang
Kijk, ik ben opgeleid als ingenieur bij de TU Delft. Dus ik houd wel van nieuwe, slimme dingen. Ik heb nogal wat tijd doorgebracht in laboratoria, omdat ik ontwerpen, prutsen en uitvinden het leukste vind dat er is.
Ik ben dus niet anti-innovatie. Ik ben wel tegen innovatiesimplisme: het idee dat nieuw automatisch beter is, en dat meer technologie vanzelf een betere samenleving oplevert, dat we die ontwikkeling alleen maar hoeven te versnellen.
Het probleem is alleen: dat idee van innovatiesimplisme zit diep geworteld in onze cultuur. Het zit in subsidieregelingen (doe nou deeptech!), in verkiezingsprogramma’s (innovatie gaat ons land redden!), en in de taal van vrijwel elk beleidsstuk (nieuw trend = nieuwe kansen!). Innovatie is een doel geworden in plaats van een middel. En zodra dat gebeurt, dan stopt vaak ook het nadenken. Niemand vraagt dan nog: innovatie waarvoor? Voor wie eigenlijk?
Neem bijvoorbeeld al die malle AI-plannen die over ons worden uitgestort. Het Nationaal AI Deltaplan wil dat we met onze pensioenfondsen en belastinggeld investeren in meer rekenkracht, meer datacenters, en liefst ook vervelende regels en rechten afschaffen, soepeler ontslagrecht, etc. De absurde techbro-koortsdroom Europe2031 schetst zelfs een scenario waarin Europa uit elkaar valt als we niet massaal investeren in chips, energiecentrales en AI-modellen.
Beide stukken bevatten trouwens terechte zorgen, want ook ik maak me zorgen over onze digitale afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese bedrijven. Maar met de “oplossing” die ze aandragen ben ik het diametraal oneens. Harder rennen in dezelfde race. Yeah, right.
In dat narratief zit namelijk een aanname verstopt. Dat Europa “achterloopt” door regelgeving, en dat we dus moeten dereguleren om te kunnen innoveren. Ik kan die drogreden soms haast niet meer verdragen. Rechtsgeleerde Anu Bradford zocht het uit en noemt het een typisch voorbeeld van een valse tegenstelling. Dat Amerikanen grote bedragen storten in AI komt niet door soepelere wetten, maar door grotere kapitaalmarkten, en een grote markt. Regels schrappen maakt ons dus niet innovatiever. Het geeft ons vooral minder rechten om ons te beschermen.
Bovendien, een Europa dat de Amerikaanse strategie kopieert, met meer datacentra, meer energieverbruik, en meer machtsconcentratie, heeft geen soevereiniteit gewonnen. Het alleen verandert welke klein groepje van de hype zal profiteren.
Kijk dus altijd kritisch naar macht
Eigenlijk is er één vraag die centraal zou moeten staan zodra er weer een tech hype de kop op steekt. Of dat nou immersive, blockchain of AI is: wie wint, en wie verliest?
Wie verdient er aan ijsklontjesbekertjes? Niet degene die het ijs koopt. Wie wint bij deregulering? Niet degene voor wie die regels ooit bedacht zijn. Wie wint bij een AI-race zonder doel? Juistem, de mensen die de infrastructuur verkopen.
En die mensen hebben diepe zakken. De techindustrie geeft inmiddels 151 miljoen euro per jaar uit aan lobbywerk in Brussel, becijferden Corporate Europe Observatory en LobbyControl. Al weer eenderde meer dan twee jaar geleden. De grootste techbedrijven zitten gemiddeld drie keer per dag aan tafel bij de Europese top. Het verhaal dat regels die ons beschermen innovatie tegenwerken komt dus niet uit de lucht vallen. Het wordt voortdurend ingefluisterd.
Technologie is nooit neutraal. Zo simpel is het. Technologie verdeelt macht. Soms profiteren burgers. Denk aan de introductie van de drukpers, of het open, vrije internet in de beginjaren. Maar veel vaker profiteren zij die al macht hadden.
Dat gaat niet vanzelf. Dat is een keuze. Wie zegt dat technologie niet valt te beheersen geeft die keuze a-priori al weg. Wie zegt dat elke probleem in onze samenleving met technologie valt op te lossen, probeert de politieke vragen die met die problemen samenhangen te ontlopen.
Hoe het wel kan
Toch ben ik optimistisch en blijf ik hoopvol, omdat rechtvaardigheid altijd wint. Kijk in de onderstroom, zoals Jan Rotmans dat noemt. Daar gebeurt van alles. Overal zijn mensen bezig met technologie en het wel zinvol inzetten. Kijk naar publieke digitale infrastructuur, open AI-modellen in de commons, energiecoöperaties, etc. Onze Vrije Cloud zou zonder niet kunnen bestaan. Dat is ook innovatie. Alleen haalt het geen bakken geld op in investeringsrondes. Omdat de winst niet weg lekt naar aandeelhouders. Maar wat het oplevert is wel waardevol voor de gebruikers. Dat noem ik vooruitgang.
Overigens begint die onderstroom steeds vaker de bovenstroom te raken. Eind vorig jaar richtten Frankrijk, Duitsland, Italië en Nederland samen een Europees consortium op voor digitale gemeenschapsgoederen. Ze spraken af software samen te ontwikkelen en standaarden vrij en open te delen. Uit dit soort ontwikkelingen put ik hoop. Want het maakt een kantelpunt tastbaar. Namelijk de overgang van het ontwikkelen en aanjagen van een alternatief naar de institutionalisatie ervan.
Met Post-X Society willen we dat soort vooruitgang. En ja, daar zetten we innovatie en technologie voor in. Maar dan wel op zo’n manier dat het bijdraagt aan een eerlijke toekomst.
Ook jij kunt dat doen, door bij elk nieuw initiatief, product, dienst, en vooral bij elk deltaplan, of eigenlijk bij elke belofte je af te vragen: wie wint? Wie verliest? Wie beslist?
Stel die vragen. Op je werk, aan de keukentafel, aan je gemeenteraad, parlement en ook in de supermarkt bij die beker met ijsklontjes.
Vooruitgang meet je niet op basis van rekenkracht of investeringen. Vooruitgang is een richting. En over die richting gaan wij samen, niet de techbro’s.
“Opzij, opzij, opzij”, zong Herman van Veen, “wij hebben ongelofelijke haast.” Dat lied is bijna vijftig jaar oud, maar laat je niet opzij zetten.

Pieter van Boheemen
Directeur Stichting Post-X Society
Foto van Srattha Nualsate

